“Ben je ook zenuwachtig?”, zo was me gisteren op een feestje nog gevraagd toen ik vertelde over de reis die ik morgen ging maken. Mijn antwoord was toen ‘nee’, maar nu ik deze ochtend in de keuken sta mijn ontbijt klaar te maken en de dag van de reis zal zijn, vind ik het allemaal toch wel een beetje spannend.Vandaag reis ik voor het eerst met mijn dalurenabonnement in de trein naar Amsterdam om World Press Photo te bezoeken en ik heb me voorgenomen om half negen op de fiets te vertrekken richting station Buitenpost, maar als ik Nynke een afscheidskus heb gegeven wanneer zij om voor kwart voor acht op de fiets stapt naar haar werk, ben ik ook klaar. “Je kunt nog wel even stofzuigen en het brood is ook op”, had ze me al verteld en in alle rust voer ik eerst deze taken uit.
Om kwart over acht stap ik dan op de fiets en ruim voor negen uur arriveer ik in Buitenpost. Een station heeft op de een of andere manier altijd wel iets vertrouwds, de kwakende kikkers in de vijver bij het gemeentehuis geven me zelfs iets van rust. Op het servicepunt waar ik mijn abonnement nog op mijn kaart moet zetten, ondervind ik geen problemen.
Ik check in en wacht op het perron tot de trein richting Groningen komt. “Hallo?! Hoe kom ik daar?”, roept een oudere meneer met een rollator vanachter het hek. – “Dan moet u daar zijn over de brug”, wijst een van de twee meiden – die bij het andere spoor zitten te wachten – op de spoorbrug zo’n honderd meter verderop.
“Ja… dat kan ik nou juist niet.”
Ze beseffen dat traplopen met een rollator niet gaat. – “Tja, dan moet u om lopen”, zo wijzen ze op de overgang een eindje verderop. De mijnheer dankt hen en wandelt samen met zijn vrouw die kant op. Even later stap ik in de trein naar Groningen en neem plaats in een stiltecoupé. Hier is het niet druk, er zit alleen nog een jongedame. De reis naar het station is me te kort om een bak koffie te doen, ik kijk wat om me heen en zie de stations Grijpskerk en Zuidhorn voorbij komen.
In Groningen check ik uit bij Arriva, zoek het juiste spoor en check weer in bij NS. In de coupe waar ik plaatsneem is het rustig. Nu schenk ik een bakje koffie in en doe wat ik altijd doe tijdens mijn eerste bakje: ik lees een stukje in de Bijbel in stilte. Nou, dat moet lukken in deze stiltecoupé. Net voordat de trein gaat rijden ontdek ik dat ik heb plaatsgenomen in een 1e klas coupé. In de hoop dat er geen conducteur langs komt, neem ik me voor om in Assen maar meteen weer uit te stappen en van klasse te veranderen.
Behalve dat de kleur van de stoelen nu niet rood maar blauw is, zijn de coupé’s hier ook behoorlijk meer gevuld met reizigers. Ik vraag een vrouw die de krant zit te lezen of ik naast haar mag plaatsnemen, de zitplaats komt vrij zodra ze haar tas weg haalt. “Neem uw ruimte”, zo gebaar ik wanneer ze meteen begint haar krant op te vouwen. Ik vraag haar of ze weet of de treinkranten Metro en Spits nog bestaan en probeer zo een praatje te beginnen. De kans om het antwoord te geven krijgt ze niet, omdat ik op mijn schouders wordt getikt door de oudere grijze man die achter ons zit: “Stiltecoupé!”
“Oh, sorry.” Ook dit had ik niet gezien. Ik neem mijn e-reader, de mevrouw naast me pakt nu ook een boek. Ze stapt uit bij Zwolle, de plek naast me is nu vrij en dat geeft even ruimte. Wel komt er een moeder met een klein jongetje de coupe binnen.
“Dit is wel een stiltecoupé”, instrueert ze hem, kun je wel stil zijn?” Terwijl de trein begint te rijden heeft ze de jongen al zoveel instructies gegeven dat ik bijna begin te denken dat ze zelf even een tikje op haar schouder moet hebben. “Kijk, daar ligt Kampen, en moet je eens daar kijken…” Vervolgens neemt ze haar telefoon ter hand en zwijgt. Ook het jongetje is keurig stil…
Bij Lelystad stapt ze uit, er komt nu een jongeman naast me zitten met oortjes in en hij begint meteen op z’n telefoon te kijken. Tegenover me zit een jongedame met een shirt van Mumford & Sons, even verderop zie ik een meid met een koptelefoon op al smakkend op een enorm stuk kauwgom, dat ik telkens van links naar rechts in haar mond zie wisselen, eveneens druk bezig op haar telefoon. Ik pak mijn e-reader en lees weer even.
De overstap bij Almere Centrum verloopt vlot en dan is de aankomst bij Amsterdam Centraal al sneller dan verwacht en wordt ook niet omgeroepen in de trein. De aankomsttijd lijkt wel ongeveer te kloppen en daarom stap ik uit. Voordat ik de stad in ga, moet ik nog wel even een plasje doen en ga op zoek naar toilet. Met heel veel bordjes met de aanwijzing ‘WC’ lijkt dat heel gemakkelijk, maar toch kan ik er geen vinden en vraag maar bij een servicepunt.
“Dat is inderdaad niet heel gemakkelijk”, geeft het personeelslid door en wijst me de weg. Naast de olieprijs is ook de prijs voor het plegen van een plasje hier ook flink gestegen. Kon dat ooit nog voor een kwartje, hier moet ik € 1,10 betalen, maar ik ben wel blij dat ik het kwijt ben. Eenmaal buiten het station zoek ik een bankje waar nog plek is om een broodje te eten, ik heb er ook nog een bakje koffie bij. Met de geluiden van de stad erbij en de vele varende bootjes in de havens heeft dit altijd weer iets bijzonders en ik neem de rust.
“Fuck off”, hoor ik dan achter me een gefrustreerde dame roepen terwijl een tram net voor haar neus vertrekt. Ze is blijkbaar net iets te laat. Om 12:15 luiden de klokken van de basiliek van St. Nicolaas even verderop, een heerlijk geluid dat hoort bij een stad.
Dan is het nog een behoorlijke zoektocht naar het beginpunt van de wandeling Amsterdam via Westerbork die ik wil maken, de app is hierbij een ware hulp. Aan het eind van de Prins Hendrikkade zie ik een viskar staan, ik krijg spontaan zin in een harinkje. De man voor me klaagt over de hoge prijs van vijf euro van een Hollandse nieuwe – deze week had hij ergens anders nog eentje voor € 3,50 gekocht.
Ik kan de vis bij deze kraam niet van staart eten, die zijn er al vanaf gesneden, maar de lekkernij wordt wel keurig opgemaakt met uitjes en augurk. Het smaakt prima. Voor het overblijvende servetje kan ik geen vuilnisemmer vinden. “Gooi maar neer”, gebaart de visverkoopster onverschillig als ik er naar vraag. Tegen mijn zin gooi ik het op de grond en wandel verder. Ze geven de toeristen ook niet eens de kans om manieren te leren. Ook verderop in de stad zie ik regelmatig troep en zelfs hele vuilniszakken die zomaar ergens zijn gedumpt.

Het blijft moeilijk om de route te blijven volgen. De rood met witte pijltjes zijn dan wel keurig aangegeven, maar er worden hier zoveel stickers en andere zaken eveneens aangeven dat het echt een zoektocht is. Vanuit de Westerkerk hoor ik klanken van een kerkorgel en ik besluit op zoek te gaan naar de ingang om het van dichtbij te beluisteren. ‘De Westerkerk is open’, zo geeft een groot bord bij ingang aan, maar de deur is op slot. Een grote groep mensen wil ook naar binnen, maar nadat ze allemaal hebben vastgesteld dat de deur echt op slot blijft, besluiten ze ook maar verder te wandelen. De deur blijft op slot.
Een slordig geklede man met een pet op fietst luid kletsend met zichzelf in een vreemde taal bij alle vuilnisbakken langs en haalt hier blikjes en flesjes uit die hij verzamelt in een zak die aan zijn stuur hangt. Voor het Anne Frank huis staat een enorme rij bezoekers. Musea werken tegenwoordig met tijdsloten en daarom besluit ik om mezelf ook vast aan te melden voor World Press Photo. Dit levert geen problemen op, ik pas er nog wel bij.
Ik zigzag verder door de stad, afwisselend wandelend langs de Herengracht en de Prinsengracht, maar begin nu wel te merken dat dit wel een heel erg drukke stad is, ik kom ontzettend veel mensen tegen en het lukt me op een gegeven moment niet meer om al deze prikkels te verwerken.
Ik besluit om de wandeltocht af te breken en rechtstreeks naar de Nieuwe Kerk te lopen, voordat mijn energie helemaal op is. Met mijn museumkaart is een ticket hier zo geregeld. De fotocollectie is bijzonder, ik herken er vele van het nieuws in de krant. Het lukt me niet meer om al te veel aandacht te besteden aan de verhalen die er achter schuil gaan. Ook hier ervaar ik veel prikkels.

Rond drie uur sta ik weer buiten. Even bedenk ik me of ik er verstandig aan zou doen om nog voor de spits weer naar huis te reizen maar ik besluit toch om ook nog langs Nemo te wandelen. Onderweg daar naartoe doet een bezoek aan de Oude Kerk me goed. Dit zijn de rustige plekken waar ik weer energie bij kan tanken.
Op Oudezijds Voorburgwal is het dan ineens veel reuring. Een man manifesteert zich luid schreeuwend tegen de drie mannen van security, er staan veel mensen omheen. “Ik weet waar jouw huis woont”, en meer van dit soort dreigementen laat hij horen. Ik wandel verder en vind de rust weer in de Baseliek van St. Nicolaas. Bij het betreden word ik nogmaals op mijn schouders getikt. “Sorry mijnheer”, spreekt de man me toe die achter in de kerk toezicht houdt. “Uw hoedje…”

Ik neem mijn hoedje af, ga even op een bankje zitten te genieten van de stilte, de rust en het mooie glas in lood voor me. Dan wandel ik verder naar Nemo. Op de wandelsteiger Oosterdokseiland geniet ik nog even van uitzicht over het water en het koekje dat ik heb meegenomen.
We hebben Nemo al eens bezocht, zo herinner ik me bij binnenkomst, ik beklim de trappen rechtstreeks naar het dakterras, waar ik een bakje koffie bestel. De jongedame die mijn bestelling opneemt, kletst rustig door met haar collega achter de bar en ze doen er niets aan om mij dit gesprek niet te laten opvangen. “Ik moet er niet aan denken om zwanger te zijn”, zo vindt de een, maar de ander wil toch later wel graag moeder worden. Ik neem mijn koffie mee naar een tafeltje op het terras en begin te werken aan mijn verslag. Af en toe werp ik een blik over de stad, kijk rond over het terras en rust wat uit.

Rond vijf uur wandel ik terug naar het centraal station en heb inmiddels bedacht dat ik ga onderzoeken hoe ik een OV-fiets kan huren. Het lijkt me wel wat om het laatste uurtje nog wat door de stad te fietsen en ondertussen op zoek te gaan naar een plek waar ik een patatje kan kopen. Op het station lukt het me niet om de fietsen te vinden, maar bij een servicepunt wordt ik wederom vriendelijk verwezen naar waar ik moet zijn.
Maar dan komt het meest ingewikkelde gedeelte natuurlijk dat ik voor de eerste keer moet uitzoeken: hoe krijg ik die fiets aan de praat. Ik vraag aan de jongedame die net haar fiets weer inlevert hoe het moet. “Heeft u een OV-fietsabonnement”, vraagt ze. Oeps, ik denk het niet en dus zal het wel niet gaan. Maar dan bedenk ik me dat er toch iets van OV-fiets bij mijn abonnement stond vermeld en houd mijn pas bij het slot. ‘Floep’, deze springt spontaan open en even later fiets ik dan zomaar over Damrak de stad in.

Nu de daluren even voorbij zijn, is het ook in de stad behoorlijk druk en moet ik mijn ogen niet bepaald in mijn broekzak hebben, het is flink uitkijken geblazen. Er wordt flink getoeterd en de verkeersregels lijken hier net iets anders te werken dan ik gewend ben. Bij een zebrapad stop ik bijvoorbeeld even keurig voor een overstekende meid, maar andere fietsers halen me links en rechts is en de voetgangster blijft simpelweg staan wachten.
Het lijkt me wel wat om even een kijkje te nemen in het Vondelpark en na een ommelandse reis daar naartoe lukt het me uiteindelijk om ook dit te bereiken. Een friettent heb ik niet gezien, maar de twee broodjes die ik nog in mijn tas heb smaken ook nog prima. Ik vind een zitplaats in het zonnetje waar ik mijn OV-fiets naast parkeer.
Op het bankje naast me zitten drie jongens een sigaretje te roken, deze ruiken toch echt anders dan de peukjes ‘yn ‘t Fean’. Achter me liggen twee meiden op een kleedje in het gras een e-book te lezen, even verderop ligt een stelletje van elkaar en de liefde te genieten. Wanneer ik mijn broodje heb genuttigd, vind ik het in de stad wel mooi geweest en besluit de terugweg aan te vangen.

Ik bestudeer de plattegrond en neem me voor om via Overtoom langs het Leidseplein de Leidsestraat op te fietsen en in mijn beleving kom ik dan al aardig in de buurt van het station, maar ik mag niet overal fietsen, weet niet precies waar ik wel of niet mag oversteken en fiets af en toe voor het gemak maar achter andere fietsers aan, waardoor ik soms op hele andere plekken weer uit kom en regelmatig even op de kaart moet kijken.
Als ik het Centraal Station dan eindelijk in het vizier heb, ben ik blij dat het er op zit. Het inleveren van de fiets gaat gemakkelijk en dan wandel ik naar de treinen, waar ik al snel heb uitgevonden dat ik om 19:08 op spoort 8b moet zijn voor de trein richting Almere centrum, alwaar ik over kan stappen op de trein richting Groningen.
Even snel doorwandelen, dan haal ik dat wel. Hoewel de daluren voor mijn abonnement inmiddels weer zijn ingegaan, is het me al snel duidelijk dat de spits hier nog in volle gang is; het perron staat werkelijk bomvol met reizigers. Het kan me niet schelen, ik wil naar huis en stap in, zodat ik om kwart voor tien in Buitenpost kan zijn.
Ik vind een zitplaats en begin in alle rust de dag te overdenken. Het duurt niet lang of de mevrouw in de bankjes naast ons, die met twee jonge meiden reist, is in slaap gevallen en daarbij is haar mond ietwat open gegaan en vertoont af en toe schokjes. Haar meiden genieten met volle teugen van dit schouwspel en giechelen telkens volop wanneer ze het zien gebeuren. Met hun gegiechel vestigen ze ook de aandacht van andere reizigers op hun moeder.
Almere is het eindstation voor deze trein, iedereen stapt dus uit. Het gros van de mensen gaat staan wachten op de trein naar Groningen welke over drie minuten aankomt. Ik vind plaats naast een Indiase mevrouw van middelbare leeftijd, die een boek zit te lezen. Veel reizigers vinden geen zitplaats en moeten daardoor blijven staan. Voorbij station Lelystad komt ook de plek naast me vrij en ruimt het ook verder in deze stiltecoupé op. Ik pak mijn iPad uit de tas en begin te schrijven. Als ik hiermee klaar ben, lees ik verder in mijn boek.
Om kwart voor tien stap ik uit in Buitenpost. Hoewel het aantal fietsen in de stalling behoorlijk minder is dan vanochtend, weet ik niet meer precies waar ik die van mij ook weer had geparkeerd en begin alle fietsen maar te scannen. Wanneer ik tot tweemaal toe vrijwel alle fietsen heb bestudeerd op herkenbare eigenschappen, begin ik te vermoeden dat ’ie simpelweg is gestolen.
Nee hè, het zal toch niet zo zijn dat de eerste keer dat ik per fiets naar het station ga, deze gestolen is?! Bij nog een derde zoektocht bel ik Nynke. “Kun je me ophalen, want mijn fiets is weg.” Ze neemt me eerst niet serieus – niet heel vreemd met mijn vreemde grappen altijd – maar zodra ik haar ervan heb overtuigd dat ik deze keer geen grapje maakt, zie ik ineens mijn fiets staan. Pfffttt, niks aan de hand. Ik trek mijn trui aan, stap op de fiets en rijd naar huis.
In de trein had ik nog tegen deze fietstocht naar huis opgekeken en stiekem wel bedacht om heit te bellen me op te halen met het fietsrek, maar nu ik eenmaal tussen de landerijen richting Blauwverlaat fiets en onder meer de geur van pas gemaaid en de avond ruik, ervaar ik daarbij ook de rust en de ontspannen en dat doet me goed. Ik geniet van de fietstocht, maar ben wel blij als ik me om half elf heerlijk kan douchen en samen met Nynke een borrel kan drinken en kan toasten op onze twaalfde trouwdag.